Groeihormoon en IGF-I

Onvoldoende groeihormoon bij het jonge dier leidt tot groeiachterstand (dwerggroei). Teveel groeihormoon (acromegalie) kan op latere leeftijd problemen geven: de weke delen groeien teveel uit (zwaarder hoofd met veel dikke huidplooien, dikkere buik). Teveel groeihormoon geeft een groot risico op suikerziekte. Bij honden zien we teveel groeihormoon bij oudere niet gesteriliseerde teven. Bij katten zien we teveel groeihormoon als gevolg van een tumor in de hypofyse, een belangrijke hormoonproducerende klier in de hersenen.
 

Te weinig groeihormoon

Aangeboren tekort aan groeihormoon leidt tot dwerggroei. Dit komt als erfelijk gebrek voor bij de Duitse Herder en Karelische Berenhond, en kan soms ook in een ander ras ineens een keer voorkomen. Deze pups blijven klein en hebben een zachte wollige vacht, later krijgen ze een lelijke vacht met kale plekken en een grijs-bruin gepigmenteerde huid. In de loop van de tijd worden de honden ook minder actief, en krijgen last van tekort aan schildklierhormoon en krijgen nierproblemen. Er zijn veel andere redenen waarom pups klein kunnen blijven, het hoeft lang niet altijd te liggen aan een tekort aan groeihormoon. Het is goed om dit uit te zoeken.
 

Diagnose van te weinig groeihormoon

Groeihormoon wordt aangemaakt in de hypofyse, een belangrijke hormoonproducerende klier in de hersenen. Omdat het hormoon in pieken en dalen wordt uitgescheiden is het niet goed mogelijk om met een enkele meting vast te stellen of er te veel of te weinig wordt aangemaakt. We stellen de diagnose groeihormoontekort door het groeihormoon te meten in het bloed, voor en na stimulatie met GHRH. Ook het IGF-I nivo is laag, maar deze bevinding is minder specifiek dan de groeihormoon-stimulatietest.
 

Teveel groeihormoon (acromegalie)

Teveel groeihormoon zien we bij oudere teven die niet gesteriliseerd zijn: na iedere loopsheid maken de melkklieren veel groeihormoon aan. De groeihormoon overmaat kan leiden tot een dikkere buik, een grover gezicht, dikkere huidplooien, snurken en meer geluid bij ademhalen, meer drinken en meer plassen, en soms suikerziekte.

Bij katten denken we aan teveel groeihormoon als de kat suikerziekte heeft en vrij hoge doseringen Caninsulin of Lantus nodig zijn om de suikerziekte te regelen. Deze katten kunnen een tumor hebben in de hypofyse die het groeihormoon in abnormale hoeveelheden aanmaakt.

Groeihormoon meten is mogelijk, maar bij gezonde dieren varieert de waarde in het bloed heel erg. Een eenmalig hoge of lage waarde zegt dus niet zoveel: dat kan ook normaal zijn. We zouden dan eigenlijk 3 tot 5 keer bloed moeten afnemen met steeds 10 minuten tussentijd. Dit is minder praktisch en erg duur. Maar wij kunnen ook IGF-I meten. Groeihormoon zorgt ervoor dat de lever IGF-I gaat maken en dit hormoon is veel stabieler in het bloed. Is er te vaak en te lang teveel groeihormoon in het bloed dan zal het niveau IGF-I in het bloed te hoog zijn. De IGF-I concentratie in het bloed is afhankelijk van de hoeveelheid groeihormoon.

De waarden van IGF-I bij normale gezonde katten en de waarden bij katten met een hypofyse tumor, overlappen. Pas bij een echt hoge waarde (>1000 ng/ml ) wordt de verdenking erg groot. Belangrijk is dat we de IGF-1 pas meten als de kat is behandeld met insuline. Als de patiënt nog niet is behandeld voor de suikerziekte, kan de waarde ten onrechte laag uitvallen.

We weten nog niet goed hoe we katten met acromegalie moeten behandelen: ze kunnen geopereerd worden of bestraald, maar we weten nog niet wat het beste is. 
 


Leestips

Anderen die deze pagina lazen, waren ook geïnteresseerd in:  
auteur: Erik den Hertog, specialist interne geneeskunde der gezelschapsdieren

Deel deze pagina